Alleen hand­having aanlijn­plicht in geval van overlast


27 november 2013

De Partij voor de Dieren zal morgen in de raad pleiten voor een minder strikte handhaving van de aanlijnplicht voor honden. Fractievoorzitter Gerjan Kelder is van mening dat alleen beboet moet worden indien een loslopende hond daadwerkelijk overlast veroorzaakt.

Volgens Kelder is het te gek voor woorden dat iemand die in een rustige buitenwijk met zijn hond wandelt, verplicht is op straffe van een boete à 90 euro het dier aan te lijnen. “Wij hebben al zoveel klachten gekregen over dit beleid, het kan gewoon niet voortduren. Hondeneigenaren voelen zich echt opgejaagd door boa’s, die al bekeuren als de hond zich een paar meter buiten het losloopgebied bevindt. En dan zijn er nog de talloze treurige verhalen van bejaarden die niet zo makkelijk een losloopgebied kunnen bereiken, zelf slecht ter been zijn en wiens hond amper nog beweging kan krijgen, nu het dier altijd aan de lijn moet zitten”.

In 2009 werd het hondenbeleid aangepast naar aanleiding van klachten over hondenpoep. Er werd toen niet alleen een opruimplicht ingesteld maar ook een strikte naleving van de aanlijnplicht. De aanlijnplicht bestond al in de APVG, maar er werd alleen op gehandhaafd indien sprake was van overlast. Kelder: “We moeten terug naar die situatie, maar dan wel met strikte opruimplicht. Ik ga ervan uit dat als hond en baas niet langer aan elkaar geketend hoeven te wandelen, het draagvlak voor de opruimplicht alleen maar groter wordt”.

De Partij voor de Dieren is altijd voor de opruimplicht geweest, maar tegen een strikte naleving van de aanlijnplicht. Een hond moet kunnen snuffelen, treuzelen en dan weer een stukje rennen. Dat is zijn natuurlijke gedrag en als hij dat niet kan vertonen, raakt hij gefrustreerd.

Toen de dienst Stadstoezicht werd gevormd, werd ook de bestuurlijke strafbeschikking (bsb) ingevoerd. De opbrengsten hiervan werden geraamd op ongeveer twee derde van de benodigde inkomsten voor Stadstoezicht, waar voortaan alle handhavende taken van de gemeente in ondergebracht waren. Er zouden jaarlijks ongeveer 6000 bsb’s moeten worden uitgedeeld, twee keer zoveel als in Amsterdam het geval was. Het werden er ongeveer 1200. Ondanks de felheid waarmee boa’s eigenaren van loslopende honden bekeurden, heeft het college altijd ontkend dat er bonnenquota waren. Kelder is altijd tegenstander geweest van een boekhoudkundige praktijk die ertoe leidt dat het college financiële problemen krijgt indien alle burgers zich aan de wet houden. “Het leidt ertoe dat mensen zich afvragen of er beleidsregels en instrumenten worden doorgevoerd die met name ten doel hebben de gemeentekas te spekken”, aldus Kelder.

Lees hier onze motie