Een open brief aan de Groene Burge­meester


22 maart 2021

Beste meneer Bootsma,

In de allereerste plaats willen wij u van harte bedanken voor uw inzet als Groene Burgemeester. Er zal ongetwijfeld veel op uw bordje liggen. De Partij voor de Dieren is blij dat u er bent en wij hopen dat u, naast al die andere zaken die u op zult willen pakken, ook een beetje kunt fungeren als schakel tussen burgers en de gemeente. Want daar lijkt het wel eens mis te gaan.

Heel graag zouden wij op korte termijn het gesprek met u aangaan. En dan willen wij het ook hebben over een aantal dingen die u laatst te berde bracht tijdens uw speech bij het Klimaatalarm. Het was een prachtige bijeenkomst, waar met vlammende woorden werd gesproken over rechtvaardigheid en klimaat. Uw verhaal over taakdemocratie triggerde ons in het bijzonder. We horen daar graag wat meer over.

Maar de belangrijkste reden voor het schrijven van deze uitnodiging is toch iets anders. U verwees naar de naam van de Vismarkt, waar het protest zich afspeelde en zei: “Die heet zo omdat we hier vissen kopen, niet omdat ze hier zwemmen, en dat moet zo blijven.” Uiteraard is dit een knipoog naar de verwachte stijging van de zeespiegel, maar de Partij voor de Dieren heeft toch wat moeite met deze formulering.

Dat we nu op een wereld leven waar het aantal zoogdieren voor bijna twee derde bestaat uit vee, een derde uit mensen en een paar procent uit wilde dieren, komt voort uit de gedachte dat we de wereld konden gebruiken als ware het een grondstof. Wij witte mensen konden denken – en dat rechtvaardigde lange tijd de onderwerping van groepen waar geen ratio aan werd gekoppeld: inheemse volkeren, vrouwen, planten en dieren. Want wij stonden boven de natuur.

Dat laatste is natuurlijk een illusie gebleken, niet alleen door de ecologische verwoesting die zich tegen onszelf keert door middel van klimaatopwarming, plagen en zoönosen zoals Corona, maar ook doordat we steeds meer ontdekken over de intelligentie en het bewustzijn van dieren. Zo is er veel onderzoek gedaan naar de pijnbeleving bij vissen. En daaruit komt duidelijk naar voren dat vissen pijn ervaren op een wijze die heel goed vergelijkbaar is met de onze. Niet alleen omdat hun fysiek overeenkomsten vertoont, maar ook hun gedrag, nadat ze pijnprikkels hebben gekregen. Het is onsympathiek onderzoek, maar het werpt wel een heel dringende vraag op: zijn de huidige praktijken in de visserij houdbaar?

U zult wel begrijpen, meneer Bootsma, dat de Partij voor de Dieren van mening is dat dat niet kan. Niet alleen omdat visserij verschrikkelijk is voor de vissen die er het slachtoffer van worden. Maar ook omdat negentig procent van de visbestanden wereldwijd wordt overbevist. Talloze vissoorten staan op het punt van uitsterven, vooral de grote, die geen tijd hebben om volwassen te worden en zich voort te planten. Tegen die tijd zijn ze al opgevist. De varende visfabrieken gebruiken sleepnetten die over de bodem worden getrokken en alles verwoesten dat op hun pad komt. Een groot deel van de vangst noemt men bijvangst en wordt niet eens gebruikt voor consumptie. Zo schat men dat voor elke 2 kilo tonijn er 3 kilo aan schildpad, dolfijn of zeevogel gestorven is en terug in zee geworpen.

Het is belangrijk om ons te realiseren dat de opwarming van het klimaat en het uitsterven van dieren dezelfde oorzaak hebben: de vaak onuitgesproken, verborgen aanname dat we met de aarde en alles wat daarop leeft kunnen doen wat we willen. Een visje eten klinkt onschuldig, maar is het niet. In essentie ligt een beschavingscrisis ten grondslag aan die andere crises die we hebben. Om vooruitgang te boeken, moeten we taal weer belangrijk vinden en erkennen dat deze niet alleen een afspiegeling kan vormen van onbewuste overtuigingen en waarden, maar deze tegelijkertijd ook steeds weer bevestigt of juist ontkracht.

Met vriendelijke groet,

Namens de Groninger Partij voor de Dieren raadsfractie,

Kirsten de Wrede