Stads­toe­zicht


20 mei 2013

De problemen en de financiële problemen van stadstoezicht zijn het gevolg van minder capaciteit als gevolg van de afbouw van gesubsidieerde arbeid en het werkende weg vormgeven aan de nieuwe organisatie, samen met het een gebrek aan sturing bij met name de nieuwe taken. Rondom de problemen met betrekking tot het werkende weg vorm moeten geven aan de nieuwe organisatie en nieuwe taken, rijst bij ons de vraag: had dit niet voorzien kunnen worden? Of, zoals dhr. Koops (CDA) het uitdrukte, was de uitgangssituatie wel goed doordacht?

Met betrekking tot de financiële problemen willen we het volgende opmerken.

Vanaf de start van Stadstoezicht zijn de inkomsten uit de bestuurlijke strafbeschikkingen veel te optimistisch ingeschat.Het college heeft voortdurend verklaard dat er geen bonnenquotum was bij Stadstoezicht, maar wat nu duidelijk wordt uit de stukken is dat de financiële tekorten van Stadstoezicht voor een groot deel samenhangen met een gebrek aan mankracht om bonnen uit te schrijven. De begrote inkomsten uit bestuurlijke strafbeschikkingen zijn op deze lagere capaciteit echter niet bijgesteld: met minder capaciteit moesten dus evenveel bonnen worden geschreven en dezelfde inkomsten worden gerealiseerd.

In z’n algemeenheid willen wij opmerken dat het niet goed is dat een gemeente z’n begroting rond moet krijgen, door middel van bonnen. Je gaat er dan van uit dat burgers zich niet aan de wet of de Algemene Plaatselijke Verordening houden. De begroting van Stadstoezicht bestond in 2012 voor bijna drie kwart uit beschikkingen Wet Mulder en bsb’s. Wij vinden dit geen gezond uitgangspunt. Het leidt ook tot suggestieve aannames inzake het in de ogen van sommigen erg op bonnen gerichte optreden van BOA’s. We kunnen het ook breder trekken: een overheid zou om de kas te spekken beleid kunnen creëren waarvan ze weet dat het bonnen oplevert.

In de collegebrief: “De toezichthoudende inzet is ten behoeve van de efficiency gedifferentieerd naar seizoenen, dagen en stadsdelen. De praktijk wijst uit dat in de zomermaanden langer toezicht vereist is dan in de wintermaanden. Op zondag vindt alleen in de zomer toezicht plaats.” Is de toezichthoudende inzet ook gedifferentieerd naar overlastfeiten? Deze vraag stel ik naar aanleiding van de volgende feiten. In 2012 zijn er voor wildplassen, alcohol, plakken en kladden en straatmuziek in totaal 93 bestuurlijke strafbeschikkingen (bsb’s) door Stadstoezicht uitgedeeld. Voor afval (onjuist aanbieden e.d.) zijn er in totaal 475 bsb’s uitgedeeld en voor overtredingen ten opzichte van het hondenbeleid 401. Die laatste bsb’s zijn verdeeld over ongeveer 8000 huishoudens, terwijl de 475 bsb’s voor afval zijn verdeeld over ongeveer alle huishoudens in de stad, ongeveer 90000. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat het aantal bsb’s voor een onevenredig groot deel bij hondeneigenaren terecht komt.

Inmiddels blijkt uit ervaring, zowel bij ons als in andere gemeenten, dat volledige integrale handhaving geen efficiente werkwijze is en dat daarom toch meer wordt ingezet op specialistische en gerichte inzet. In principe zijn we het hier mee eens en lijkt ons dit een goede zaak.

Het college spreekt duidelijke taal over de financiële problemen van Stadstoezicht, dank daarvoor. Wat betreft oplossingsrichtingen: een tweede loopbaan voor collega’s die bij andere gemeenteonderdelen werken lijkt ons in principe een goed idee, zo ook het aanstellen van stagiares, maar waar zouden die dan vandaan komen? Zoals wel eerder is gesteld, is het toezichthouden een vak apart waar je wel degelijk social skills voor nodig hebt. Anders doen zich onverkwikkelijke situaties voor die ten koste gaan van handhaver en gehandhaafde.

Tot slot: er blijkt geen protocol te bestaan zoals wij dat hadden begrepen uit het verslag van de ombudsman, maar op welke wijze is er dan iets gedaan met haar adviezen?

Help mee aan een beter Groningen!

    Word actief Doneer